Praktijkvoorbeelden & jurisprudentie
De belangrijkste jurisprudentie (uitspraken van rechters) en praktijkvoorbeelden zijn bij elkaar gezet om te laten zien hoe de natuurbeschermingswetgeving in de praktijk uitwerkt. Rechterlijke uitspraken geven een interpretatie van lastige wetten en regels. U kunt op deze jurisprudentie een beroep doen in juridische procedures. Op basis van een eerder gedane uitspraak, die overeenkomsten vertoont met uw zaak, kunt u uw gelijk bewijzen.
De verschillende uitspraken zijn onderverdeeld in onderwerpen. Per uitspraak bestaat de mogelijkheid om via een link uit te komen bij 'veelgestelde vragen' om meer informatie over het onderwerp te vinden.
Door op het zaaknummer, wat bij elke uitspraak is vermeld, te zoeken op rechtspraak.nl, kunt u de gehele tekst vinden van de uitspraak.
Acties zonder juridische procedures
Geen windmolens in belangrijk foerageergebiedDe gemeente Hardenberg was op zoek naar geschikte locaties voor het plaatsen van windmolens. Een van de mogelijke locaties lag echter in een zeer belangrijk foerageergebied van rietganzen en kraanvogels. De WetlandWacht van dit gebied constateerde dit probleem en deed uitgebreid onderzoek naar de slaapplaatsen en foerageergebieden van deze vogels. Met de gegevens uit het rapport ‘rietganzen en kraanvogels in de Engbertsdijksvenen' kon aangetoond worden dat het plaatsen van windmolens op deze locatie zeer waarschijnlijk negatieve gevolgen zou hebben. De gemeente heeft hierna besloten om deze potentiële locatie te schrappen.
Vragen:
Peilbeheer in moerasvogelgebiedZonder dat er juridische procedures voor gevoerd zijn, maar juist dankzij overleg, lobby en publicitaire druk heeft het waterschap in natuurgebied de Rijnstrangen besloten het peilbeheer in het voorjaar van 2005 te verhogen om tegemoet te komen aan de eisen die moerasvogels stellen aan hun omgeving.
Een door de WetlandWacht gesignaleerd incident met het gemaal, waardoor het gebied in het broedseizoen vrijwel droogviel, werd aangegrepen om contact te zoeken met het verantwoordelijke Waterschap. Vogelbescherming, Staatsbosbeheer, Stichting ARK en de Gelderse Milieufederatie hebben vervolgens collectief actie ondernomen, onder andere door persberichten uit te brengen over de achteruitgang van de belangrijke natuurwaarden. Gezamenlijk deden zij een voorstel voor een aangepast waterpeilbeheer voor het gebied dat aansluit bij de belangen van de natuur én de randvoorwaarden van de agrarische sector. Veel plaatselijke en landelijke publiciteit, acties van de vogelwerkgroepen en lobby bij de betrokken overheden hebben het waterschap overtuigd om het nieuwe peilbeheer in te voeren zonder dat judische procedures noodzakelijk waren. Voor verder behoud en herstel is echter meer nodig: structurele aanpassing van het waterpeilbeheer gedurende het hele jaar, en lokaal het actief terugdringen van verboste delen van het moeras door de terreinbeheerders.Vragen:
Tegengaan van transparante geluidsschermenDe West-Brabantse Vogelwerkgroep heeft met succes gestreden tegen de vogelsterfte als gevolg van transparante geluidsschermen. Inmiddels zijn er verticale lijnen aangebracht op de glazen schermen langs het traject HSL-Zuid. Klik hier voor meer informatie.
Vragen:
Verplaatsen roekenkolonieOnder de huidige wetgeving is het niet mogelijk op te treden tegen overlast van roeken. In het verleden zijn successen geboekt met het verplaatsen van roekenkolonies. Daar moet wel een goede reden voor zijn; bijvoorbeeld gevaar voor de volksgezondheid, zoals in de gemeente Boxmeer voor de psychiatrische afdeling van het Maasziekenhuis. Er is toen met succes een ontheffing aangevraagd omdat er een roekenbeschermingsplan en een plan van aanpak werden overlegd. Geschikte nestgelegenheid werd beschermd, zodat de roeken zich hier ongestoord kunnen vestigen na verjaging. Eigenaren en omwonenden dienen hier dus in betrokken te worden. (Overigens is er nooit gebruik gemaakt van de vergunning, vanwege de hoge kosten en de grote inspanningen van het verjagen).
Het verplaatsen van een roekenkolonie kan alleen gebeuren als er een door de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie goedgekeurd beschermingsplan is en het verjagen niet in het broedseizoen plaatsvindt.
Klik hier voor meer informatie over het verplaatsen van een roekenkolonie in de gemeente Brummen.
En hier voor informatie van de gemeente Doesburg.Vragen:
Juridisch procederen is een lange en vaak kostbare weg die niet altijd tot het gewenste resultaat leidt. Onderstaande voorbeelden laten zien dat er ook andere manieren zijn om veranderingen teweeg te brengen.
Voorbeelden:
Kappen en snoeien
Bomenkap ondanks regelmatig nestelende uilenRechtbank Arnhem 30 juni 2004, LJN AP5808, nr. 106630:
Het betrof hier een zaak waarbij buren ruzie hadden over bomen en een houtwal die te dichtbij de erfgrens stonden. Buurman A kon om die reden buurman B dwingen om bomen binnen twee meter van de erfgrens te verwijderen en de overige bomen periodiek te snoeien. Dat er regelmatig ransuilen nestelen in deze bomen was volgens de rechter geen reden om hier anders te beslissen. Een overweging in het kader van de Flora- en faunawet kwam hier niet aan te pas.Vragen:
Bos kappen in beschermd natuurgebiedRaad van State, 10 juli 2002, LJN:AE5096, nr: 200103181/1:
In deze zaak besloot de Raad van State dat het kappen van meer dan 300 bomen in het Vogelrichtlijngebied de Veluwe, geen significante effecten zou hebben omdat het om een groot gebied gaat en de te verwachten achteruitgang in populatie van de aangewezen soorten als gevolg van de kap te verwaarlozen is.Vragen:
Bos kappen tijdens broedseizoenRechtbank Alkmaar, 6 april 2000, nummer 45310/KG ZA 00-120:
De Vogelwerkgroep Alkmaar, de plaatselijke Bomenwacht en een tweetal burgers constateerden begin 2000 dat de gemeente tijdens het broedseizoen wilde doorgaan met het kappen van bomen in het Vroonermeerbos. Zij komen in actie en vorderen met succes middels een civiele procedure (kort geding) dat de gemeente stopt met deze werkzaamheden. De rechter gaf hen in deze zaak gelijk omdat het voldoende aannemelijk was dat er vogels in het bos aan het broeden waren en het wettelijk gezien verboden is om nesten te vernielen of te verstoren.Deze uitspraak is niet meer beschikbaar via internet.
Vragen:
Elzensingels kappen en snoeienRaad van State, 20 juli 2005, LJN AT9716, nr. 200407434/1:
In deze zaak is beslist dat bepaalde elzensingels die op Terschelling als randbeplanting en binnensingels werden gebruikt en waarin verschillende vogelsoorten gehuisvest waren, beschouwd dienden te worden als beschermde nest/rust/broedgelegenheid onder de Flora- en faunawet. De bouw van recreatiewoningen op deze locatie zou, gelet op de hoge kwaliteit en de functie van deze beplanting in het landschap, een ernstige aantasting aannemelijk maken.Vragen:
Populieren kappen waarin misschien vogels broedenRechtbank Haarlem, 12 maart 2004, nr. 100010/KG ZA 04-84:
Het kappen van populieren moest in deze zaak worden gestaakt zolang er geen onderzoek was gedaan naar de aanwezigheid van beschermde diersoorten en zolang er geen ontheffing van de Flora- en faunawet was verkregen voor het kappen, indien uit het onderzoek zou blijken dat een ontheffing is vereist.
Voorbeelden:
Kievitseieren rapen
1. Oordeel van de rechtbank, 2005Rechtbank Leeuwarden, 16 maart 2005, LJN: AT0660:
Deze uitspraak verbood de toenmalige wijze van kievitseieren rapen, met name omdat er een onbeperkt aantal eieren geraapt kon worden. Er was een maximum gesteld aan het aantal te rapen eieren per persoon, maar niet aan het aantal personen dat mocht rapen. Ook was onbekend wat de mogelijk negatieve effecten waren van het rapen.Vragen:
2. Oordeel van de Raad van State, 2005Raad van State, 07 december 2005, LJN: AU7591, zaaknummer: 200503449/1:
Tegen de uitspraak van de rechtbank van Leeuwarden zijn partijen in beroep gegaan bij de Raad van State. Deze stelde dat het in principe mogelijk is om kievitseieren te rapen in Friesland maar dan moet er wel aan strenge voorwaarden worden voldaan:- Er moet een maximum worden gesteld aan het totaal aantal eieren dat geraapt mag worden
- Er moet gedegen onderzoek worden gedaan om te bepalen hoeveel eieren in totaal geraapt mogen worden zonder dat de kievitenpopulatie daaronder lijdt
- Alleen gekwalificeerde leden van de Bond van Friese Vogelbeschermings Wachten mogen eieren rapen
- In Vogelrichtlijngebieden mogen alleen kievitseieren geraapt worden als uit een passende beoordeling blijkt dat significante negatieve effecten uit te sluiten zijn.
Vragen:
3. Oordeel van de rechtbank, 2006Rechtbank Leeuwarden, 15 maart 2006, LJN: AV 5015:
Na de uitspraak van de Raad van State heeft de provincie de eerder verleende ontheffing enigszins aangepast, waartegen Faunabescherming in beroep is gegaan. Om te voorkomen dat er reeds van de ontheffing gebruik gemaakt kon worden, spande zij tegelijk een kort geding aan bij de voorzieningenrechter.Het verzoek om schorsing van de ontheffing is afgewezen omdat het rapen van eieren volgens de rechtbank voldoet aan de vereisten zoals de Europese Vogelrichtlijn die stelt. In principe mogen vogeleieren namelijk niet geraapt worden, maar er wordt een uitzondering gemaakt als het om 'kleine hoeveelheden' gaat.
Volgens het Europese Hof van Justitie is er sprake van ‘kleine hoeveelheden' als het aantal eieren dat geraapt wordt niet groter is dan 1% van de kieviten die jaarlijks sterven. Uitgerekend betekent dit, dat er niet meer dan 6934 eieren geraapt mogen worden. Om te voorkomen dat dit zou gebeuren heeft de Provincie Friesland bepaald dat er tot 31 maart eieren geraapt mogen worden, omdat er voor deze datum niet meer dan 6934 eieren gelegd worden. Er kunnen er dan dus ook niet meer geraapt worden.
Vragen:
4. Oordeel van de rechtbank, 2007 Rechtbank Leeuwarden, 1 augustus 2007, LJN:BB0660
In deze uitspraak oordeelde de rechtbank dat de Provincie ontheffing mocht verlenen voor het rapen van kievitseieren in de provincie Friesland. Het rapen van kievitseieren gebeurt volgens de rechter op 'selectieve wijze' en 'onder strict gecontroleerde omstandigheden', zoals de Europese Vogelrichtlijn vereist. Ook worden er niet meer dan de toegestane 'kleine hoeveelheden' eieren geraapt en verkeert de kievit niet in een ongunstige staat van instandhouding.Hiermee staat het voor de Provincie vrij om komend jaar opnieuw ontheffing te verlenen voor het rapen van kievitseieren. De Faunabescherming heeft echter wel nog de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan tegen deze uitspraak.
Vragen:
5. Oordeel van de Raad van State, 2008Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 25 juni 2008, zaaknummer 200706598/1.
De Raad van State oordeelde in deze zaak dat de huidige stand van de kievitpopulatie het mogelijk maakt om ontheffing te verlenen voor het rapen van kievitseieren. Ook de Vogelrichtlijn staat hieraan niet in de weg mits enkel ‘kleine hoeveelheden' worden geraapt. Aan dit begrip kan invulling gegeven worden middels het door het Europese Hof van Justitie aanvaarde 1%-criterium (HvJ EG, 9 december 2004, zaak C-79/03, Commissie/Spanje).
Friesland heeft berekend dat jaarlijks maximaal 6.934 eieren geraapt mogen worden (in overeenstemming met het 1%-criterium). Dit maximum waarborgen zij middels het beperken van de raaptijd tot 1 april (in een eerder besluit was rapen tot 8 april toegestaan). Tot 1 april worden - gemiddeld genomen - niet meer dan 6.934 eieren gelegd en kan er dus ook niet meer geraapt worden.De Afdeling is er echter niet van overtuigd dat alléén het beperken van de raapperiode met acht dagen voldoende is om te waarborgen dat er daadwerkelijk maximaal 6.934 eieren geraapt worden. De invloed van externe factoren, zoals de weersomstandigheden en de daarmee samenhangende start van het broedseizoen, is zodanig dat niet kan worden uitgesloten dat in deze raapperiode meer dan het berekende aantal eieren gelegd wordt en dus geraapt kan worden.
Verder mag de provincie er niet van uit gaan dat het niet is vereist te controleren of er inderdaad maximaal 15 eieren per persoon worden geraapt, zoals de voorwaarden van de ontheffing bepalen.Vragen:
6. Oordeel van de rechtbank, 2009Voorzieningenrechter Rechtbank Leeuwarden, 24 februari 2009 , AWB 09/203, LJN: BH3888
De rechter komt tot het voorlopig oordeel dat de vijfjarige ontheffing aan de Bond voor Friese Vogelbeschermingswachten van 15 januari 2008 terecht is verleend. In de verleende ontheffing is de provincie Friesland (opnieuw) uitgegaan van het 1 %-criterium. De provincie heeft als voorwaarde gesteld dat jaarlijks maximaal 6.431 eieren geraapt mogen worden. Dit aantal is berekend aan de hand van de al eerder geaccepteerde methode Musters, uitgaande van de gemiddelde broedpopulatie in de afgelopen vijf jaren. Het feit dat de kievitenpopulatie in de afgelopen jaren is afgenomen doet daar niet aan af. Het is niet aannemelijk geworden dat hierdoor moet worden gevreesd dat de kievit op lange termijn geen levensvatbare component meer is in Friesland.Wel constateert de rechter dat de voorschriften met betrekking tot de controle op het aantal geraapte eieren (Registratiesysteem rapen kievitseieren) nog niet voldoende waarborgen bieden, maar dit zal de provincie herstellen in de beslissing op het bezwaarschrift.
Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen, in de verwachting dat het geconstateerde gebrek in de beslissing op het bezwaar zal worden hersteld.Vragen:
Voorbeelden:
Schadebestrijding
Geen belangrijke schade (in gehele provincie Friesland)Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, uitspraak 17 maart 2010, zaaknr: 200905547/1
Volgens de Raad van State is in dit geval ten onrechte een ontheffing verleend om wilde eenden af te schieten. Per specifieke situatie dient te worden beoordeeld of een ontheffing strikt noodzakelijk is, waarbij het besluit tot ontheffingverlening dient te berusten op een nauwkeurige en treffende motivering. Hierbij komt aan de schadehistorie een belangrijke betekenis toe. In dit geval heeft Gedeputeerde Staten van de provincie Friesland uit de schadehistorie en het verloop daarvan niet zonder nadere motivering kunnen concluderen dat in de gehele provincie Friesland een concrete dreiging van belangrijke schade valt te verwachten. Hieruit blijkt alleen dat de wilde eend in de periode 1997 tot en met 2007 jaarlijks incidenteel schade heeft veroorzaakt in een aantal Friese gemeenten.
Ten aanzien van een ander gewas zijn alleen gegevens bekend over het aantal geschoten eenden in de periode 2002 tot en met 2004. GS mocht hierin geen aanleiding zien op 2 juli 2008 te besluiten dat concrete dreiging bestond van belangrijke schade.
Inzet preventieve middelenAfdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 29 augustus 2007, zaaknummer: 200701189/1:
In deze zaak wordt een ontheffing op grond van artikel 68 Flora- en faunawet getoetst. Met deze ontheffing kon in de provincie Noord-holland afschot van ganzen plaats vinden. De Raad van State oordeelt dat de Provincie terecht een ontheffing heeft afgegeven voor de gehele provincie Noord-Holland. Uit de schadegegevens blijkt dat er niet alleen in delen van de provincie belangrijke schade dreigt. Ook acht de Raad van State het redelijk dat preventieve maatregel niet verplicht zijn gesteld om schade aan overjarig grasland te voorkomen.
Vragen:
Ongemotiveerde ontheffing voor schadebestrijdingRaad van State, 9 februari 2005, nr. 200403391/1:
Een besluit tot schadebestrijding op grond van artikel 68 Flora- en faunawet werd in dit geval door de Raad van State bestempeld als onvoldoende gemotiveerd en er kon dus geen gebruik worden gemaakt van de verleende ontheffing.Vragen:
Ontheffing voor meeuwenoverlast vanwege openbare veiligheid Rechtbank Haarlem, 13-05-2004, LJN AO 9730, zaaknummer 04-606 en 04-607:
In deze zaak was er terecht een ontheffing verleend op grond van artikel 68 Flora- en faunawet omdat de meeuwenoverlast een gevaar vormde voor de openbare veiligheid. Het besluit werd echter gedeeltelijk vernietigd omdat het niet nodig was om een geweer te gebruiken en omdat het onnodig was om vogels te doden die zich niet op de gebouwen bevonden. Verder stelde de rechter dat het uit het wettelijk stelsel voortvloeit dat het doden van vogels altijd de laatste optie moet zijn en dat er eerst andere alternatieven bezien moeten worden; alternatieven moeten echter naar moeite en kosten wel haalbaar zijn.Vragen:
Populatiereducerende maatregelen kunnen gerechtvaardigd zijnAfdeling bestuursrechtspraak Raad van State, uitspraak 4 februari 2009, zaaknr. 200802524/1
In deze zaak gaat het om ontheffing voor het doden van grauwe ganzen en het onklaar maken van hun eieren. Op grond van de conclusies in het faunabeheerplan heeft Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht een oorzakelijk verband tussen het aantal grauwe ganzen en de veroorzaakte schade in de provincie mogen aannemen. Tegen deze achtergrond kunnen deze populatiereducerende maatregelen als middel ter voorkoming van die schade gerechtvaardigd zijn. In dit geval is niet gebleken dat ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen er andere bevredigende oplossingen dan populatiereducerende middelen bestaan. In het verleden toegepaste alternatieve methoden om schade te voorkomen zijn niet effectief gebleken.
De verwijzing naar het rapport van SOVON Vogelonderzoek Nederland baat De Faunabescherming in dit verband niet. Weliswaar worden in de door De Faunabescherming overgelegde passages uit dat rapport kanttekeningen geplaatst bij de effectiviteit van onder meer afschot om tot populatiereductie te komen, maar uit die passages kan niet worden afgeleid dat in het voorliggende geval ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen andere bevredigende oplossingen dan populatiereducerende maatregelen bestaan.
Schade in gehele provincieAfdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 29 augustus 2007, zaaknummer: 200701189/1:
In deze zaak wordt een ontheffing op grond van artikel 68 Flora- en faunawet getoetst. Met deze ontheffing kon in de provincie Noord-holland afschot van ganzen plaats vinden. De Raad van State oordeelt dat de Provincie terecht een ontheffing heeft afgegeven voor de gehele provincie Noord-Holland. Uit de schadegegevens blijkt dat er niet alleen in delen van de provincie belangrijke schade dreigt. Ook acht de Raad van State het redelijk dat preventieve maatregel niet verplicht zijn gesteld om schade aan overjarig grasland te voorkomen.
Vragen:
Voorbeelden:
Toetsen van activiteiten; beschermde natuurgebieden
Assimilatiebelichting: geen significante effecten Raad van State, 24 juli 2002, LJN: AE5781, zaaknummer: 200104384/1:
Gezien de afstand van ongeveer 700 meter van het glastuinbouwgebied tot het als speciale beschermingszone aangewezen gebied, werd geoordeeld dat er in redelijkheid gezegd kon worden dat er geen effecten te verwachten waren op de ornithologische waarden van de Grevelingen als gevolg van de realisering van de glastuinbouw.Vragen:
Assimilatiebelichting; significante effecten niet uitgeslotenRaad van State, 13 juli 2005, LJN: AT9287, zaaknummer: 200408111/1:
In deze zaak werd geoordeeld dat er een passende beoordeling moest worden uitgevoerd voordat er toestemming kon worden verleend voor het gebruik van assimilatiebelichting door een glastuinbouwcomplex op 500 meter afstand van het natuurgebied de Oosterschelde. Op grond van objectieve gegevens kon namelijk niet worden uitgesloten dat significante effecten op zouden treden, in het bijzonder was er onduidelijkheid over de effecten op vogels.Vragen:
Camping in VogelrichtlijngebiedRaad van State, 10 februari 2000, nr. E01.98.0406, Tijdschrift Milieu & Recht 2000, nummer 12, p. 310: In deze enigszins gedateerde uitspraak oordeelt de Raad dat de bouw van een landschapscamping waarschijnlijk geen significante effecten zal hebben voor het Vogelrichtlijngebied aangezien de ontwikkelingen uit ruimtelijk oogpunt kleinschalig zijn, in relatie tot het huidig recreatief gebruik.
Vragen:
Fietspad in beschermd natuurgebiedRaad van State, 18 september 2002, LJN: AE7798, zaaknummer: 200104495/1:
In deze zaak werd geoordeeld dat het ter goedkeuring voorgelegde bestemmingsplan onvoldoende bescherming biedt voor het beschermde gebied zoals vereist in artikel 6 lid 2 Habitatrichtlijn en dus zijn gevolgen voor het gebied niet uit te sluiten. Er is bijvoorbeeld niet onderzocht wat de mogelijke effecten van een aan te leggen fietspad zouden zijn op de broedplaatsen van grutto's.Vragen:
Gaswinning WaddenzeeRaad van State, 29 augustus 2007, zaaknummer: 200606028/1
In deze zaak was beroep aangetekend tegen de gaswinning in de Waddenzee. Alle partijen die argumenten hadden aangedragen, werden in het ongelijk gesteld. De Raad van State betrok in haar oordeel onder andere de hierna volgende argumenten.- Het is niet onredelijk dat de overheid zo lang mogelijk in haar eigen gasbehoefte wil blijven voorzien en dus gebruik wil maken van de nationale voorraden.
- Er blijft een onzekerheidsmarge bestaan over de mogelijke effecten van gaswinning. Dit betekent niet dat er onvoldoende zekerheid is verkregen over het uitblijven van significante effecten. Er is voldoende onderzoek gedaan en van toekomstig onderzoek wordt geen verdere duidelijkheid verwacht. De onderzoeken hebben voldoende rekening gehouden met worst-case-scenario's, de na-ijleffecten van gaswinning en cumulatieve effecten door onder andere de gaswinningen op Ameland.
- De huidige ongunstige staat van instandhouding van de wadplaten zal niet verder benadeeld worden door deze gaswinning. De kwaliteit, niet het oppervlakte van de wadplaten bevindt zich namelijk in een ongunstige staat. De gaswinning brengt geen risico's met zich mee voor deze kwaliteit. Voor die kwaliteit is het met name van belang dat de druk door de schelpdiervisserij in de Waddenzee verminderd.
- De verwachtte bodemdaling zal gecompenseerd worden door middel van zandsuppleties. Voor deze suppleties is een passende beoordeling en een Natuurbeschermingswetvergunning vereist. De Raad van State verwacht dat deze vergunning verleend kan worden. Dat dit nog niet gebeurd is, is geen reden geen vergunning te verlenen voor de gaswinning.
- Als er een wetenschappelijk onderbouwd vermoeden bestaat over negatieve effecten voor de Waddenzee is dat voldoende om het hand-aan-de-kraan-principe toe te passen; het winnen van gas wordt dan stop gezet. Het causale verband tussen gaswinning en negatieve effecten hoeft niet onomstotelijk vast te staan.
Kap op Veluwe, geen significante effectenRaad van State, 10 juli 2002, LJN:AE5096, nr: 200103181/1:
In deze zaak besloot de Raad van State dat het kappen van meer dan 300 bomen in het Vogelrichtlijngebied de Veluwe, geen significante effecten zou hebben omdat het om een groot gebied gaat en de te verwachten achteruitgang in populatie van de aangewezen soorten als gevolg van de kap te verwaarlozen is.Deze zaak is een duidelijk voorbeeld van een situatie waar Vogelbescherming nu juist bezorgd over is. Wanneer er elke keer besloten wordt dat het kappen van een aantal bomen niet significant is, dan kan er op deze manier steeds meer weggesnoept worden, waardoor er uiteindelijk onvoldoende en versnipperd leefgebied overblijft.
Vragen:
Lichthinder: significante effecten uit te sluiten voor Neder-RijnAfdeling bestuursrecht van de Raad van State, 14 juni 2006, nr. 200504995/1:
Hier werd geoordeeld dat er in eerste instantie geen goedkeuring van het bestemmingsplan gegeven had mogen worden. In het nabij gelegen vogelrichtlijngebied Neder-Rijn konden negatieve effecten voor nachtvogels niet worden uitgesloten als gevolg van lichthinder. Doordat er echter een vervolgonderzoek was gedaan waarin mitigerende maatregelen werden voorgesteld, kon de goedkeuring toch verleend worden.Vragen:
Mechanische kokkelvisserij OosterscheldeRaad van State, 24 oktober 2007, nr. 200700603/1
In deze zaak was beroep ingesteld tegen de mechanische kokkelvisserij in de Oosterschelde. Om deze vorm van visserij toe te staan moet een passende beoordeling worden uitgevoerd. Deze moet kunnen uitsluiten dat er significante effecten zullen optreden voor de natuurwaarden van de speciale beschermingszone ‘Oosterschelde'.
De Raad van State was van oordeel dat de uitgevoerde passende beoordeling onvoldoende was. De gebruikte onderzoeksmethode was niet goed onderbouwd. Het onderzoek had er onder andere rekening mee moeten houden dat herstel van de bodemflora en -fauna kan oplopen tot meer dan zes jaar. Het is dan niet mogelijk dat Kokkelvisserij eens in de vijf jaar plaatsvindt. Significante effecten kunnen dus niet worden uitgesloten.Vragen:
Mechanische kokkelvisserij, oordeel Europese Hof van JustitieHof van Justitie, 7 september 2004, C-127/02. Klik hier om de volledige tekst te vinden:
In deze zaak tegen de mechanische kokkelvisserij, onder andere door Vogelbescherming aangespannen, werd duidelijk dat deze activiteit kan worden gezien als een nieuw plan of project. Het maakt daarbij niet uit dat de visserij al jaren plaatsvindt, het is geen bestaand gebruik omdat er jaarlijks wordt afgewogen of er een vergunning zal worden verleend.Het betreft hier dus een plan of project waar een passende beoordeling in de zin van artikel 6 lid 3 Habitatrichtlijn worden uitgevoerd als op grond van objectieve wetenschappelijke informatie niet uitgesloten kan worden dat er significante effecten zullen plaatsvinden.
Er is sprake van significante effecten wanneer de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszone in gevaar dreigen te komen. De vraag of dat zo is moet beoordeeld worden aan de hand van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van het gebied waar het plan of project betrekking op heeft. De autoriteiten mogen alleen toestemming verlenen indien significante effecten uitgesloten zijn of wanneer er voldaan is aan de uitzonderingsgronden van artikel 6 lid 4 Habitatrichtlijn.
Vragen:
Mechanische kokkelvisserij, oordeel Raad van StateRaad van State, 22 december 2004, LJN: AR8011, zaaknummer: 200000690/1-A:
De Raad van State heeft in navolging van het arrest van het Europese Hof van Justitie besloten dat kokkelvisserij in de Waddenzee valt onder de verplichtingen van artikel 6 lid 3 Habitatrichtlijn en dat er alleen een vergunning verleend kan worden wanneer op basis van objectieve gegevens significante negatieve effecten uit te sluiten zijn. Dit was niet het geval en dus is de mechanische kokkelvisserij stopgezet.Vragen:
Militair gebruik ten onrechte niet getoetstRaad van State, 31 maart 2000, zaaknummer E01.97.0178:
In deze zaak is de aanwijzing van het buitengebied van Texel in het bestemmingsplan voor militair gebruik ten onrechte niet getoetst aan de Habitatrichtlijn. Er is onvoldoende gekeken of het militair gebruik het leefmilieu van vogels aantast.Vragen:
Militair oefenterrein; onterecht zonder passende beoordelingRaad van State, 18 december 2002, LJN:AF2085, zaaknummer: 200106129/1:
Er moet gekeken worden of het gebruik van het Vogelrichtlijngebied voor militaire activiteiten voldoet aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn voordat een vergunning afgegeven kan worden.
In deze zaak werd geoordeeld dat er onterecht geen passende beoordeling had plaatsgevonden. In het bestemmingsplan was een gebied als militair oefenterrein aangewezen zonder van te voren uit te sluiten dat zich significante effecten konden voordoen voor dit Vogelrichtlijngebied.Vragen:
Militaire activiteiten; ook passende beoordeling bestaand gebruikVoorzieningenrechter Rechtbank Leeuwarden, 03 oktober 2005, LJN: AU3643, registratienummer 05/1648:
Militaire activiteiten kunnen gezien worden als een plan of project in de zin van de Habitatrichtlijn, ondanks het feit dat de oefeningen al jaren plaatsvinden. Voor zover ze mogelijk significante effecten kunnen veroorzaken, moet er een passende beoordeling uitgevoerd worden voordat een vergunning kan worden verleend.
In deze zaak kwam de rechter echter tot de conclusie dat het optreden van significante effecten niet aannemelijk was door de beperkte duur van de oefening.Vragen:
Pannenkoekenrestaurant in VogelrichtlijngebiedRechtbank Leeuwarden, 25 oktober 2000, zaaknummer 2000/1037:
In deze zaak werd geoordeeld dat er onvoldoende onderzoek was gedaan naar de mogelijke significante gevolgen van een te bouwen pannenkoekenrestaurant /natuurvoorlichtingscentrum voor het Vogelrichtlijngebied. Zonder dit onderzoek kan niet worden uitgesloten dat significante effecten uit te sluiten zijn en kan er dus geen toestemming worden verleend.Vragen:
Significante effecten; oordeel van Hof van Justitie van de EGHof van Justitie, 7 september 2004, C-127/02. Klik hier om de volledige tekst te vinden:
In deze zaak tegen de mechanische kokkelvisserij, onder andere door Vogelbescherming aangespannen, werd duidelijk dat er al een passende beoordeling in de zin van art. 6 lid 3 Habitatrichtlijn moet worden uitgevoerd als er op grond van objectieve informatie niet uitgesloten kan worden dat er significante effecten zullen plaatsvinden. Er is sprake van significante effecten wanneer de instandhoudings-doelstellingen in gevaar dreigen te komen. Deze vraag moet vooral bekeken worden aan de hand van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van het gebied waar het plan of project betrekking op heeft. De autoriteiten mogen alleen toestemming verlenen indien significante effecten uitgesloten zijn of wanneer er voldaan is aan de gronden van art. 6 lid 4 Habitatrichtlijn.
Toetsingskader 'Ammoniak en Natura 2000'Raad van State, 26 maart 2008, zaaknummer 200800289/1.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft een natuurbeschermingswetvergunning geschorst die was verleend op grond van het ‘Toetsingskader Ammoniak en Natura 2000'. De vergunning maakte een uitbreiding van een veebestand mogelijk nabij het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen. Het is volgens de voorzitter van de Afdeling ernstig te betwijfelen of toepassing van het toetsingskader, waarmee beoogd wordt een invulling te geven aan de beoordeling van te verwachten significante effecten van bestaande veehouderijen in de nabijheid van Natura 2000-gebieden, het optreden van significante effecten kan uitsluiten. In het toetsingskader wordt namelijk uitgegaan van het gemiddelde depositieniveau op het totale natuurgebied terwijl bekend is dat de deposities lokaal sterk kunnen afwijken. Daarnaast zorgt cumulatieve ammoniakdepositie ter plaatse nu al voor overbelasting en wordt door beide partijen onderschreven dat de vergunde uitbreiding zal leiden tot een verdere toename. Daarom kan niet met zekerheid worden uitgesloten dat door toepassing van het toetsingskader de natuurlijke kenmerken van het gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen niet zullen worden aangetast. Deze uitspraak is gedaan in een voorlopige voorziening en is dus een voorlopig oordeel.
Klik hier voor het nieuwsbericht op Vogelsendewet.nl.
Uitzaaien mosselzaad in OosterscheldeRaad van State, 01 december 2004, nr. 200401981/1:
Voor het uitzaaien in de Oosterschelde van mosselen en kokkels afkomstig uit de Ierse zee, is een Natuurbeschermingswetvergunning nodig omdat het uitzaaien mogelijk schadelijk is; de schelpdieren zijn afkomstig uit een ander milieu en langs deze weg kunnen nieuwe organismen (exoten) worden geïntroduceerd die mogelijk schadelijk kunnen zijn. Er zal dus eerst een passende beoordeling uitgevoerd moeten worden voordat er toestemming voor gegeven kan worden.
Wandelpad door beschermd gebiedRaad van State, 3 oktober 2001, LJN: AD4589,zaaknummer: 200005629/1:
In deze zaak oordeelt de Raad dat het maatschappelijk belang van recreatief medegebruik van het natuurmonument zwaarder weegt dan het belang van behoud van het natuurgebied, nu er veel voorwaarden zijn verbonden aan het aanleggen van het wandelpad: laarzenpad. Het is bijvoorbeeld niet toegestaan het gebied te betreden in het broedseizoen (om verontrusting van broedvogels te voorkomen en de zeldzame kievitsbloem te beschermen), honden zijn verboden en men mag niet van de paden afwijken.Vragen:
Weg doortrekken door duingebiedRaad van State, 12-01-2005, nr. 200402756/1:
In deze duinen, die zijn aangewezen als beschermd natuurmonument, wogen de belangen van het doortrekken van een weg niet op tegen de ecologische belangen.Vragen:
Windmolens; cumulatieve effecten beoordelenRaad van State: 28 januari 2004, LJN: AO2405,zaaknummer: 200304649/1:
In deze zaak is er geen reden om de vergunningen voor de aanleg van een windmolenpark te vernietigen. Uit onderzoek (de best beschikbare informatie) bleek niet dat er significante effecten voor vogels te verwachten zijn. Er werd erkend dat bij de beoordeling van het plaatsen van windmolens gekeken moet worden naar de cumulatieve effecten van andere plannen en projecten, maar niet wanneer het onzeker is of deze plannen uitgevoerd zullen worden. Overigens moeten ook de cumulatieve effecten van plannen meegewogen worden die niet plaatsvinden op het Nederlandse grondgebied maar bijvoorbeeld in Duitsland.Vragen:
Windmolens; geen significante effectenRaad van State: 17 december 2003, LJN: AO0336, zaaknummer: 200302311/1:
In deze zaak ging het om de bouw van windmolens nabij een Vogelrichtlijngebied. Er kon echter niet geconcludeerd worden dat er sprake zou zijn van een aanvaringsrisico en verstoring die gezien zouden kunnen worden als significante negatieve effecten. Geen van de soorten zal door de verstoring onder de drempelwaarde van 1% komen of in het gehele gebied met 5% of meer afnemen. De afdeling stelt overigens dat de masthoogte van de windmolens niet hoger mag zijn dan 85 meter en niet hoger dan 125 meter in totaal; de hoogte van de mast waarop het verstoringsonderzoek is gebaseerd.Dat er alternatieve locaties bestaan voor het plaatsen van windmolens is in dit geval niet belangrijk omdat er geen sprake is van potentiële significante effecten. Wanneer dit wel het geval was geweest had in de belangenafwegingen meegenomen moeten worden of er sprake was van alternatieven/andere bevredigende oplossingen.
Vragen:
Windmolens; onvoldoende onderzoekRaad van State: 24 maart 2004, zaaknummer 200304639/1:
In deze zaak was de onderzochte informatie ontoereikend om tot de conclusie te komen dat er van de te plaatsen windmolens geen negatieve effecten te verwachten zijn. Dit temeer omdat er wel voldoende informatie aanwezig was zoals een onderzoek waaruit de vliegroutes duidelijk werden van vogels uit nabijgelegen beschermde vogelgebieden. Er moest nader onderzoek gedaan worden. In een latere uitspraak is aan het project alsnog toestemming verleend; de rechter oordeelde dat er ditmaal voldoende onderzoek was gedaan en dat er geen negatieve effecten op vogelwaarden te verwachten zijn.Vragen:
Zonder onderzoek schade mosselvisserij niet uit te sluitenRaad van State, 26 februari 2008, zaaknummer 200607555/1.
De Raad van State oordeelde dat er geen natuurbeschermingswetvergunning verleend had mogen worden voor de mosselvisserij in het voorjaar van 2006. Er zijn nog teveel kennislacunes over de mogelijke effecten voor eidereenden, toppereenden en habitattype 1110 (mosselbanken) om significante effecten te kunnen uitsluiten. Zo'n uitsluiting is een vereiste voor het verlenen van de vergunning. De resultaten van het Produs-onderzoek moeten worden afgewacht vóórdat nieuwe vergunningen verleend kunnen worden.Dat in de vergunning voorwaarden zijn opgenomen betreffende het zogenoemde adaptief management kan dit gebrek aan wetenschappelijke gegevens niet ondervangen. Deze voorwaarden kunnen de aantasting van de natuurlijke kenmerken van het gebied tijdens de onderzoeksperiode niet uitsluiten.
Vragen:
Onderstaande uitspraken laten zien hoe er in de praktijk met de passende beoordeling wordt omgegaan.
Voorbeelden:
Toetsen van activiteiten; niet beschermde natuurgebieden
Bescherming nesten buiten broedseizoenHof van Justitie, 27 april 1988, C-252/85. Klik hier voor de volledige tekst.
Frankrijk werd in deze zaak veroordeeld omdat het de bepalingen van de Vogelrichtlijn onjuist had omgezet. Nesten werden niet beschermd tijdens het jachtseizoen. Het Hof was het niet eens met de door Frankrijk aangevoerde redenen. De bescherming van nesten moet jaarrond zijn omdat veel vogels jaarlijks opnieuw gebruik maken van hun nesten. Bovendien behoort deze bescherming te gelden voor alle vogelsoorten. In Frankrijk waren namelijk de nesten van bepaalde vogelsoorten in zijn geheel niet beschermd.Vragen:
Bescherming nesten op/aan gebouwenHof van Justitie, 8 juli 1987, C247/85. Klik hier voor de volledige tekst.
In deze zaak werd België veroordeeld door het Europese Hof. In België was het namelijk toegestaan om alle vogelnesten op/in/aan gebouwen te verwijderen. Het Hof oordeelde dat dit niet in alle gevallen noodzakelijk is ter bescherming van de gezondheid en openbare veiligheid. De vrijstelling van het verbod om nesten te verwijderen, was veel te algemeen. Niet was aangetoond dat er geen alternatieve oplossingen waren en dat de gezondheid of openbare veiligheid in het geding was.Vragen:
Boer strafbaar vanwege verwonden zwaanHof Amsterdam, 2 april 2001, nr. 23-002376-00:
Het onzorgvuldig maaien van weilanden, waardoor zwanen gedood worden of gewond raken en het niet bieden van de nodige zorg aan gewonde zwanen is strafbaar volgens de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de toenmalige Vogelwet (vervangen door de Flora- en faunawet). Er is hier verwijtbaar gehandeld. De boer had er, gelet op zijn ervaring, rekening mee moeten houden dat zich zwanennesten in het gras bevonden. Door tóch te maaien - en nog wel betrekkelijk dicht langs de waterkant - heeft de verdachte het aanmerkelijke risico genomen dat hij zwanen zou treffen met zijn maaimachine.Vragen:
Motorcrossbaan niet in gebruik tijdens broedseizoenRaad van State, 17 juli 2002, LJN: AE5424, zaaknummer 200103105/1:
In deze zaak betreffende een motorcrossbaan in een gebied waar veel vogels broeden is bepaald dat het onderzoek onvoldoende was om motorcrossen toe te staan zolang de effecten onbekend waren. Buiten het broedseizoen mocht er wel gecrost worden.In de zaak, Raad van State, 27 maart 2002, LJN: AE0671, zaaknummer 200104611/1, werd bepaald dat het broedseizoen niet automatisch mag worden vastgesteld op 15 maart tot 15 juli. Het broedseizoen gaat van start op het moment dat vogels daadwerkelijk aan het broeden zijn. Dat kan zowel later als eerder zijn dan 15 maart.
Vragen:
Ontheffingenbeleid strijd Vogel- en HabitatrichtlijnRechtbank Haarlem, 3 maart 2008, LJN: BC6313, Zaaknummer:AWB 08-1592, 08-1591, 08-2161 en 08-2166.
Ontheffing (art. 75 Ffwet) was verleend in het belang van ‘ruimtelijke inrichting of ontwikkeling' (artikel 2, derde lid, onder j, Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten). Dit belang wordt niet genoemd in de Vogel- en de Habitatrichtlijn.
Het ministerie van LNV is van mening dat het belang van ‘ruimtelijke inrichting of ontwikkeling' een correcte invulling is van het belang dat de Europese richtlijnen noemen: een dwingende reden van groot openbaar belang. De richtlijnen beogen namelijk de bescherming van soorten zodat de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd is. Het is niet de bedoeling om gewenste ruimtelijke ontwikkelingen te frustreren door bescherming te bieden aan soorten waar die noodzaak tot bescherming ontbreekt.
De rechter oordeelt echter dat de richtlijnen geen aanknopingspunten bieden voor dit standpunt dat lidstaten afwijkingsgronden in de nationale wetgeving mogen hanteren die niet in de richtlijnen zijn genoemd dan wel daarvan direct zijn af te leiden. De richtlijnen kiezen duidelijk voor concrete verbodsbepalingen op het niveau van individuen met concrete voorwaarden voor afwijking. Deze specifieke bepalingen kunnen niet worden omzeild door te verwijzen naar het doel van de richtlijnen. De rechter verwijst hierbij naar het Europese Hof van Justitie dat juist heeft geoordeeld dat deze bepalingen nauwkeurig dienen te worden omgezet in nationale wetgeving.
De reikwijdte van het begrip ‘ruimtelijke inrichting en ontwikkeling' is volgens de rechter van beduidend ruimere strekking dan de in de richtlijnen opgenomen uitzonderingsgronden. Het kan betrekking hebben op de aanleg van ieder bouwproject, van welke omvang ook. Deze uitzonderingsgrond dient daarom buiten toepassing te worden gelaten bij de beoordeling van een aanvraag om ontheffingen in het kader van de Flora- en faunawet. De verleende ontheffing is daarom in strijd met art. 75 Flora- en faunawet.
Vragen:
Recreatiewoningen zonder onderzoek naar flora en faunaRaad van State, 13 november 2004, LJN:AE5066, nr. 200402141/2:
Het bestemmingsplan van deze gemeente had niet goedgekeurd mogen worden omdat het toestond dat er recreatiewoningen zouden komen in een gebied waar ten onrechte geen onderzoek was gedaan naar de voorkomende flora en fauna. Dit onderzoek had uitgevoerd moeten worden zodat beoordeeld kon worden of er wellicht een ontheffing van de Flora- en faunawet verkregen kon worden. Zonder deze kennis is geoordeeld dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is en daarom in strijd met de zorgvuldigheid.Vragen:
Tegenbewijs leverenAfdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 23 mei 2007, nr. 2005100171.
In deze zaak waren burgers het niet eens met een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied. Dit zou in strijd zijn met bepaalde natuurbelangen (Flora- en faunawet). De Raad van State oordeelde dat de burgers dan minimaal een begin van bewijs voor deze stelling moeten leveren. Eigenstandige verklaringen van veldbiologen zijn onvoldoende verifieerbaar om als tegenadviezen te kunnen dienen voor onderzoek van gerenommeerde bureaus. Dit betekent dus in feite dat burgers zo'n gerenommeerd bureau in de arm moeten nemen om tegenonderzoek te laten doen.
Verwijderen nestkasten steenuilen en verlies foerageergebiedVoorzieningenrechter rechtbank Utrecht, uitspraak 29 december 2009
Door werkzaamheden voor een nieuwe woonwijk Bij Beinum zal een deel van het foerageergebied van een (paartje) steenuil(en) verdwijnen. Verder zullen een of twee door de steenuil(en) gebruikte nestkasten worden verwijderd. De gemeente heeft mitigerende maatregelen toegezegd om de gevolgen voor de steenuilen te beperken. Naar het oordeel van LNV is geen ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig.
De rechter neemt in deze zaak aan dat de uil(en) de nestkasten als roestplaats gebruiken en er nog nooit in hebben gebroed. De rechter oordeelt dat daarom de nestkast(en) niet vallen onder de nestbescherming van de Flora- en faunawet. Het foerageergebied van de steenuil(en) is volgens de rechter wel wettelijk beschermd ondanks dat de uilen nog niet zouden hebben gebroed. In dit geval leidt het verlies aan foerageergebied niet tot overtreding van de Flora- en faunawet, omdat er allerlei mitigerende maatregelen zullen plaatsvinden om de foerageerfunctie veilig te stellen. De rechter benadrukt dat dit een verplichting is om het project te kunnen laten doorgaan en dat dit van tevoren moet gebeuren.Voorzitter Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, uitspraak 29 januari 2010
In deze zaak gaat het om hetzelfde geval als hiervoor beschreven. De Raad van State werd verzocht het besluit van LNV dat geen ontheffing nodig is te schorsen en te bepalen dat de nestkasten niet mochten worden verplaatst.
De rechter oordeelt dat de vraag of de nieuwe wijze van beoordelen van ruimtelijke ingrepen aan de Flora- en faunawet (Ffw) door LNV in overeenstemming is met de Vogel- en Habitatrichtlijn niet in deze voorlopige voorzieningprocedure maar pas in de beroepsprocedure kan worden beoordeeld.
In dit geval zijn volgens de rechter echter afdoende formele procedures doorlopen die het voor de minister mogelijk hebben gemaakt om te beoordelen of de mitigerende maatregelen voldoende waren om overtreding van de Ffw en de Vogelrichtlijn te voorkomen. De rechter beslist op basis van een belangenafweging het verzoek te weigeren. Die belangenafweging komt er kort gezegd op neer dat enerzijds niet aannemelijk is dat het verplaatsen van de nestkasten voor de steenuil onomkeerbare gevolgen zal hebben en anderzijds heeft de gemeente er belang bij binnen afzienbare termijn een aanvang met een omvangrijk woningbouwproject te kunnen maken.Vragen:
Wat is opzettelijk verontrusten?Raad van State 12 mei 2004, LJN-nr AO9200:
Uit dit arrest blijkt dat wanneer er bouwplannen zijn in een gebied waar beschermde soorten voorkomen, het uitgangspunt is: niet elk bouwplan dat tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan een veranderde omgeving, is een bouwplan dat opzettelijke verontrusting van beschermde diersoorten meebrengt. Belangrijk is om te beoordelen of het te verwachten is dat de beschermde diersoorten in het gebied verder kunnen leven, wellicht wat aangepast maar toch ongestoord. Is het leefgebied nog relatief rustig? Hierbij wordt tevens gekeken naar de locatie van nestgelegenheid. Als de bouwplannen alleen de foerageergebieden gedeeltelijk aantasten, maar de nestgelegenheid blijft in stand, dan is verstoring niet te verwachten.HvJ EG, 30 januari 2002, C-103/00: Klik hier om de volledige tekst te vinden.
Uit deze uitspraak blijkt dat reeds aan het vereiste ‘opzettelijk' is voldaan als degene die de handeling verricht, weet of kan weten dat deze nadelige gevolgen voor beschermde soorten planten en dieren kan veroorzaken.
Wilde vogels vangen en verhandelenRechtbank 's-Hertogenbosch, 24 juli 2007, LJN: BB0214
In deze uitspraak veroordeelt de rechtbank een man die herhaaldelijk de Flora- en faunawet had overtreden. Hij had meerdere malen in het wild vogels gevangen, deze voorzien van valse pootringen en vervolgens verhandeld.
Vragen:
Activiteiten toetsen op hun mogelijke negatieve effecten op belangrijke natuurwaarden, is niet alleen verplicht in beschermde natuurgebieden. Op grond van de Flora- en faunawet mogen activiteiten nooit leiden tot het doden, verwonden of verstoren van vogels, hun nesten en eieren.
Voorbeelden:
Beschermde natuurgebieden aanwijzen
Aanwijzen Vogelrichtlijngebied o.g.v. ornithologische criteriaHof van Justitie, C-44/95, 'Lappel Bank'. Klik hier voor de volledige tekst.
In deze zaak heeft het Europese hof duidelijkgemaakt dat wanneer een leefgebied voldoet aan de ornithologische criteria, het gebied aangewezen dient te worden als speciale beschermingszone. Wanneer uit objectieve gegevens blijkt dat een gebied het meest geschikte leefgebied vormt voor bepaalde vogelsoorten, dan dient dat gebied aangewezen te worden. Hierbij mogen geen economische overwegingen meegewogen worden!
De rechter beoordeelt eerste Natura 2000-aanwijzingsbesluitenDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraken van 5 november 2008 geoordeeld over de Natura 2000-aanwijzingsbesluiten voor Voordelta, Voornes Duin en Goeree & Kwade Hoek. De rechter heeft deze besluiten grotendeels in stand gelaten.
Op 16 maart 2011 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in de beroepen tegen de aanwijzingsbesluiten voor Natura 2000-gebieden Noordzeekustzone, Waddenzee, Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog.
Ierland moet meer sbz's aanwijzenHof van Justitie C-418/04, Commissie vs Ierland, 14 december 2007.
Ierland heeft onvoldoende speciale beschermingszones (SBZ’s) vastgesteld, te kleine gebieden aangewezen en de Vogel- en Habitatrichtlijn niet goed omgezet in nationaal recht. Het Hof oordeelde dat Ierland ook voor de ijsvogel speciale beschermingszones moest aanwijzen. Dat de ijsvogel een erg verspreide soort is, doet hier niet aan af. Voor alle Bijlage-I soorten die voorkomen op haar grondgebied, moet een lidstaat SBZ’s aanwijzen.
Voor de kwartelkoning en de zwarte stern moet Ierland alsnog meer gebieden aanwijzen. Dat de soort in die gebieden niet meer voorkomt maakt niet uit. De verplichting om gebieden aan te wijzen stamt uit 1982. Op dat moment kwamen deze soorten er wel voor. Ierland moet dus deze gebieden alsnog aanwijzen en herstelmaatregelen treffen zodat de vogels het gebied opnieuw kunnen koloniseren.
Het Hof heeft aangegeven dat lidstaten niet alleen negatieve effecten moeten voorkomen, maar ook positieve beschermingsmaatregelen moeten nemen om de instandhouding van de soort te kunnen garanderen.
Ook werd in deze zaak opnieuw de status van de IBA 2000-lijst bevestigd die door BirdLife International is opgesteld. Deze lijst van belangrijke vogelgebieden geldt als maatstaf voor het aanwijzen van SBZ’s, tenzij lidstaten met wetenschappelijk tegenbewijs komen.
Verzoek aanwijzing beschermde leefomgevingRechtbank Haarlem, 5 februari 2004, LJN: AO3292:
Bewoners van Purmerend hadden de Provincie verzocht om een belangrijk gebied voor steenuilen aan te wijzen als beschermde leefomgeving. De Provincie heeft dit verzoek afgewezen. De bewoners gingen hiertegen in bezwaar. Volgens de Provincie zouden particulieren echter nooit als belanghebbende gezien kunnen worden omdat het de bescherming van steenuilen betrof. De rechter was het hier niet mee eens. De bewoners horen en zien de steenuilen regelmatig. De steenuilen behoren tot de leefomgeving van de bewoners. Zij hebben belang bij de aanwezigheid van deze uilen en daarom bij het wel of niet aanwijzen van het gebied als beschermde leefomgeving.
Vogelrichtlijngebied aanwijzen voor dwerggansAfdeling bestuursrecht van de Raad van State, 17 maart 2004, zaaknummer 200305428/1:
Faunabescherming had het ministerie van LNV verzocht om het gebied Abtskolk-de Putten aan te wijzen als Vogelrichtlijngebied vanwege het voorkomen van de dwerggans. LNV wilde om twee redenen niet aan dit verzoek voldoen. Ten eerste zou de dwerggans enkel in Nederland voorkomen vanwege een Zweeds herintroductieprogramme en kunstmatig verlegde trekroutes. Ten tweede zou het gebied niet voldoen aan het zogenoemde '100-hectare criterium'.De Raad van State was echter van mening dat er voor de dwerggans wel degelijk gebieden aangewezen moesten worden aangezien deze vogel van nature in het wild voorkomt in Europa. Niet gezegd kon worden dat de soort gekweekt en in gevangenschap opgegroeid was. De soort dient ook beschermd te worden in landen waar het niet van nature zijn leefgebied heeft. In dit geval dus in Nederland.
Het 100-hectare criterium houdt in dat gebieden alleen aangewezen kunnen worden als Vogelrichtlijngebied, als er binnen dat gebied meer dan 100 hectare aaneengesloten gebied met een officiële natuurstatus ligt. Dit criterium was hier volgens de Raad van State niet van toepassing. Dit criterium kan alleen als selectie-criterium gebruikt worden. Wanneer op grond van de ornithologische criteria meer dan 5 gebieden als Vogelrichtlijngebieden aangewezen kunnen worden. Kunnen de meest geschikte gebieden met dit criterium geselecteerd worden. Als er minder dan 5 gebieden kwalificeren, dan mag het criterium niet toegepast worden.Het gebied Abtskolk-de Putten moest dus aangewezen worden als Vogelrichtlijngebied voor de dwerggans.
Voorbeelden:
Gedragscodes Flora- en faunawet
De rechter toetst de gedragscode van de Unie van WaterschappenBij uitspraak van 30 juni 2010 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld over de gedragscode van de Unie van Waterschappen. Dit oordeel houdt - korte gezegd - in dat de gedragscode grotendeels in overeenstemming is met de Vogel- en Habitatrichtlijn.
Alleen voor zover de gedragscode wat vogels betreft vrijstelling biedt in het kader van "ruimtelijke inrichting en ontwikkeling" is dit in strijd met de Vogelrichtlijn.
Voorbeelden: