Nieuws

Ontheffingenbeleid strijdig met Vogel- en Habitatrichtlijn

20 Maart 2008 14:13

Het Nederlandse ontheffingenbeleid op grond van de Flora- en faunawet is in strijd met de Vogel- en de Habitatrichtlijn. In Nederland kan ontheffing verleend worden voor verstoren van beschermde diersoorten, vernietigen en weghalen van nesten in het belang van ‘ruimtelijke inrichting of ontwikkeling'. De rechtbank in Haarlem oordeelde dat de Europese richtlijnen deze uitzonderingsgrond niet kennen en dat het bovendien een erg breed begrip is nu elk bouwproject onder deze definitie is te brengen.

De Vereniging Behoud Landgoed Meer en Berg en de Stichting Schapenduinen hadden beroep aangetekend tegen een ontheffing van de Flora- en faunawet voor de ontwikkeling van een landschapspark met woningen. Ontheffing was nodig omdat de verblijfplaatsen van vleermuizen zullen worden vernietigd en beschermde plantensoorten zullen worden uitgestoken.

De ontheffing was verleend in het belang van ‘ruimtelijke inrichting of ontwikkeling' (artikel 2, derde lid, onder j, Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten). Dit belang wordt niet genoemd in de Vogel- en de Habitatrichtlijn (de Europese wetgeving waarop de Flora- en faunawet is gebaseerd).

Het ministerie van LNV is van mening dat het belang van ‘ruimtelijke inrichting of ontwikkeling' een correcte invulling is van het belang dat de Europese richtlijnen noemen: een dwingende reden van groot openbaar belang. De richtlijnen beogen namelijk de bescherming van soorten zodat de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd is. Het is niet de bedoeling om gewenste ruimtelijke ontwikkelingen te frustreren door bescherming te bieden aan soorten waar die noodzaak tot bescherming ontbreekt.

De rechter oordeelt echter dat de richtlijnen geen aanknopingspunten bieden voor dit standpunt dat lidstaten afwijkingsgronden in de nationale wetgeving mogen hanteren die niet in de richtlijnen zijn genoemd dan wel daarvan direct zijn af te leiden. De richtlijnen kiezen duidelijk voor concrete verbodsbepalingen op het niveau van individuen met concrete voorwaarden voor afwijking. Deze specifieke bepalingen kunnen niet worden omzeild door te verwijzen naar het doel van de richtlijnen. De rechter verwijst hierbij naar het Europese Hof van Justitie dat juist heeft geoordeeld dat deze bepalingen nauwkeurig dienen te worden omgezet in nationale wetgeving.

De reikwijdte van het begrip ‘ruimtelijke inrichting en ontwikkeling' is volgens de rechter van beduidend ruimere strekking dan de in de richtlijnen opgenomen uitzonderingsgronden. Het kan betrekking hebben op de aanleg van ieder bouwproject, van welke omvang ook. Deze uitzonderingsgrond dient daarom buiten toepassing te worden gelaten bij de beoordeling van een aanvraag om ontheffingen in het kader van de Flora- en faunawet. De verleende ontheffing is daarom in strijd met art. 75 Flora- en faunawet.

De volledige tekst van de uitspraak is te vinden op www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Haarlem, 3 maart 2008, LJN: BC6313, Zaaknummer:AWB 08-1592, 08-1591, 08-2161 en 08-2166

Archief