Begrippenlijst A-Z

Verslechterings- en verstoringstoets

De vergunningverlening binnen de Natuurbeschermingswet 1998 gaat uit van het nee-tenzij-beginsel. Alleen wanneer vast staat dat een plan of project geen negatief effect heeft op een gebied kan er een vergunning worden verleend. Binnen de vergunningverlening zijn er twee toetsingsmogelijkheden: de passende beoordeling en de verslechterings- en verstoringstoets. Wanneer significante effecten niet uitgesloten kunnen worden of onzeker zijn, moet er een passende beoordeling worden uitgevoerd. Wanneer significante effecten uitgesloten kunnen worden, maar er wel negatieve effecten kunnen optreden, wordt er een verslechterings- en verstoringstoets uitgevoerd. Het gaat dan bijvoorbeeld om een vergunning voor een eenmalige wadloopexcursie. Maar deze toets mag geen ontsnapping zijn aan de zwaardere toetsing van de passende beoordeling! In dit onderzoek wordt bekeken of er wellicht verslechtering of verstoring op zal treden wanneer de vergunning verleend zou worden. Als er mogelijk negatieve effecten zijn, kan een vergunning alleen verleend worden als de effecten aanvaardbaar zijn. Wat als aanvaardbaar gezien moet worden, zal in de toekomst blijken.